
Het gebied van Zeeuwse Eilanden bestaat voornamelijk uit (schier)eilanden, die omringd zijn door zout water. De polders liggen vrijwel overal onder zeeniveau, waardoor er door de druk van het water constant zout water door onder de dijken de polders in sijpelt. Dit zoute water mengt zich met het zoete regenwater, waardoor er op de meeste plaatsen brak water in de waterlopen en het grondwater aanwezig is. Dat brakke water is in het algemeen geen probleem: planten en dieren in de sloot passen zich aan.
Anders is het met de landbouw. De meeste gewassen gedijen het best op zoet water. Dat betekent dat het gedeelte waar de wortels van de gewassen zich bevinden, voorzien moet zijn van zoet grondwater. Doordat zoete regen op de akkers valt en dan door de bodem de sloot in stroomt, is de bovenste bodemlaag zoet. Het diepere grondwater en meestal ook het water in de waterlopen is brak en daarmee voor de landbouw onbruikbaar.
De regen is dus van belang voor de gewassen op het land. Maar het komt voor dat het in de zomer een lange tijd niet regent. Om de gewassen niet te laten verdrogen, wil de boer in deze perioden extra water geven, door te beregenen. Dat beregenen gaat met grote sproeiers en het water daarvoor wordt uit de sloot gepompt. Dan is het belangrijk dat het water in de sloot natuurlijk niet brak is, maar zoet.
Soms is het mogelijk zoet grondwater te gebruiken voor beregening. In de hogere delen van de polders is soms zoet water aanwezig. Dit is het geval aan de binnenzijde van de duingebieden op Schouwen en Walcheren en op de hoger gelegen kreekruggen in het landschap, met name in de Zak van Zuid-Beveland. Er is daar zoet grondwater en het afstromende polderwater is er ook zoet, maar schaars.
Daarnaast is er nu nog zoet water beschikbaar in de polders die grenzen aan het zoete Volkerak-Zoommeer en dat zoete water kunnen inlaten via sluizen of gemalen. Dit betreft de eilanden Tholen en Sint Philipsland en op Zuid-Beveland in de Reigersbergsche Polder. Het zoete water wordt de polder ingelaten en via de waterlopen verspreid.
Het Volkerak-Zoommeer is dus een belangrijke zoet waterbron. Helaas is er ook een probleem: blauwalg. Er zitten teveel voedingstoffen in het water waardoor er in de zomer vaak giftige blauwalgen in voorkomen. Deze zijn schadelijk voor andere organismen en het water wordt ongeschikt als zwemwater. Bovendien kan er stankhinder ontstaan. De blauwalgen kunnen zomers in dikke drijflagen aan de oevers voorkomen als gevolg van wind en stroming. Het waterschap wil dit water met blauwalgen dan niet meer in de polders inlaten omdat het ook schadelijk is voor onze polderwateren, voor de organismen die daarin voorkomen of vee dat ervan drinkt.
De beheerder van het Volkerak-Zoommeer, Rijkswaterstaat, onderzoekt hoe de blauwalg kan worden bestreden. Er wordt overwogen om het meer weer gedeeltelijk zout te maken. Als dat gebeurt, is het water niet meer geschikt om in te laten in de polder. Daarom wordt tegelijkertijd ook onderzocht op welke andere manier de gebieden van zoet water kunnen worden voorzien. Bijvoorbeeld om zoet water vanuit de Brabantse Wal naar Zeeland te laten vloeien, of door bijvoorbeeld het gezuiverde zoete water van de rioolwaterzuiveringsinstallatie bij Bath te gebruiken.
Het waterschap vindt het belangrijk dat er zuinig met zoet water wordt omgegaan. Daarom wordt er steeds vaker gekeken naar mogelijkheden om zoet regenwater vast te houden, bijvoorbeeld met een stuw in een hoger gelegen gebied. Want: wie wat bewaart heeft wat!